skip to content
English

C1Advanced

Affect or effect?

Woordparen die zelfs moedertaalsprekers verwarren

affect (ww.) — beïnvloeden effect (znw.) — gevolg
lie (lay, lain) — liggen lay (laid, laid) — leggen
fewer — telbaar less — ontelbaar
its — zijn/haar it's — it is
their — hun / there — daar they're — they are
then — dan, toen than — dan (vergelijking)
lose — verliezen loose — los
advice (znw.) — advies advise (ww.) — adviseren
who — onderwerp whom — lijdend voorwerp (formeel)
borrow — lenen van lend — lenen aan
rise — stijgen (zelf) raise — verhogen (iets)

Typische Nederlandse fouten: I am agree → I agree, Can you lend me your pen? is goed, Can I lend your pen? → Can I borrow your pen?

stan runge c757d08 source