skip to content
Dutch

A2Elementary

Vroeger

The simple past: werkte, woonde, ging

The simple past (onvoltooid verleden tijd) is used in stories and for how things were.

Regular verbs: stem + te(n) / de(n)

The same 't kofschip rule: stem ends in t, k, f, s, ch, p → -te, otherwise -de.

werken wonen
ik / jij / hij werkte woonde
wij / jullie / zij werkten woonden

Strong verbs change their vowel

infinitive singular plural
zijn was waren
hebben had hadden
gaan ging gingen
komen kwam kwamen
zien zag zagen
eten at aten
drinken dronk dronken
lezen las lazen
schrijven schreef schreven
doen deed deden

Vroeger (in the past, used to): Vroeger woonde ik in Gent. — I used to live in Ghent.

stan runge c757d08 source