The perfect (voltooid tegenwoordige tijd) is the usual way to talk about the past in speech: hebben / zijn + past participle (at the end).
Regular participles: ge- + stem + t/d
Use -t if the stem ends in one of the consonants of 't kofschip (t, k, f, s, ch, p); otherwise -d.
| infinitive | stem | participle |
|---|---|---|
| werken | werk | gewerkt |
| wonen | woon | gewoond |
| fietsen | fiets | gefietst |
| leven | leef (from v!) | geleefd |
| reizen | reis (from z!) | gereisd |
Verbs starting with be-, ge-, her-, ver-, ont-, er- get no extra ge-: betaald, vertelt → verteld.
Strong (irregular) verbs
Often end in -en: gegeten, gedronken, gezien, geschreven, gelezen. Learn them in the verb drill.
Hebben or zijn?
Most verbs use hebben. Zijn is used for a change of place or state: ik ben gegaan, gekomen, gebleven, geworden, gestorven. With movement verbs (lopen, fietsen, rijden) use zijn when a destination is given: Ik ben naar huis gefietst but Ik heb veel gefietst.
Separable verbs put ge- in the middle: opgestaan, opgebeld, meegenomen.