skip to content
Dutch

A2Elementary

Wat heb je gedaan?

The perfect tense: heb gewerkt, ben gegaan

The perfect (voltooid tegenwoordige tijd) is the usual way to talk about the past in speech: hebben / zijn + past participle (at the end).

Regular participles: ge- + stem + t/d

Use -t if the stem ends in one of the consonants of 't kofschip (t, k, f, s, ch, p); otherwise -d.

infinitive stem participle
werken werk gewerkt
wonen woon gewoond
fietsen fiets gefietst
leven leef (from v!) geleefd
reizen reis (from z!) gereisd

Verbs starting with be-, ge-, her-, ver-, ont-, er- get no extra ge-: betaald, vertelt → verteld.

Strong (irregular) verbs

Often end in -en: gegeten, gedronken, gezien, geschreven, gelezen. Learn them in the verb drill.

Hebben or zijn?

Most verbs use hebben. Zijn is used for a change of place or state: ik ben gegaan, gekomen, gebleven, geworden, gestorven. With movement verbs (lopen, fietsen, rijden) use zijn when a destination is given: Ik ben naar huis gefietst but Ik heb veel gefietst.

Separable verbs put ge- in the middle: opgestaan, opgebeld, meegenomen.

stan runge c757d08 source